Wat houdt beelddenken in?

Beelddenken
Alle mensen zijn vanaf hun geboorte 100% beelddenker. Een baby kent namelijk nog geen woorden en zinnen (woordbeelden). De baby ziet alleen beelden.Gaandeweg de ontwikkeling leren kinderen praten. Klanken worden gekoppeld aan beelden. Het kind leert wat er wordt bedoeld bij het uitspreken van woorden en zinnen. Op een gegeven moment roept een bekende klank (drinken) een bepaald beeld op (flesje).Doordat kinderen dit beeld weer kunnen oproepen, zijn zij in staat om het woord dat bij een bepaald voorwerp hoort, te koppelen aan het beeld wat zij ervan hebben. Pas wanneer zij deze vertaalslag in hun hoofd hebben gemaakt horen zij echt wat er gezegd is.Het beeld is dus een noodzaak om taal te leren, vooral in de beginjaren van een kind.

Beelddenken Stel je voor: je hoort het woord ‘boom’. Je kunt dan in gedachten een boom voor je zien: groot, statig, met veel bladeren. Of je kunt de letters van het woord boom (b-oo-m) in gedachten krijgen. Twee verschillende manieren van denken bij het horen van hetzelfde woord.

Taaldenken is een manier van verbaal denken. De meeste mensen denken verbaal. De beelden die zij zien, zijn illustratief en ondersteunend voor de manier waarop zij denken. De beelden die ze zien, zijn ondergeschikt aan taal (de woordbeelden) waarin gedacht wordt.

Beelddenken is een manier van non-verbaal denken. Er zijn ook mensen die de taal in eerste instantie niet als denktaal gebruiken. Zij denken met beelden, non-verbaal.

Een taaldenker, denkt ongeveer 2 beelden per seconden. Wanneer je naar de televisie kijkt, krijg je ongeveer 25 beelden per seconden te zien. Dit is voor een mens goed bij te houden en te volgen. Een beelddenker gaat nog sneller, hij denkt 32 beeldden per seconden. Dit is ongeveer 16 keer zo snel als een taaldenker. Dit betekent dat een beelddenker de details mist, de stapjes die een beelddenker maakt in zijn gedachten gaan te snel en worden dus niet onthouden. Hierdoor kan het zijn dat het antwoord wat een beelddenker op een vraag geeft helemaal niet logisch is omdat hij met zijn gedachten al veel verder is.

Beelddenken is denken in beelden en gebeurtenissen. Je kunt het omschrijven als ruimtelijk denken. Ze zien beelden van situaties en gebeurtenissen. In die beelden gebeuren meerdere dingen tegelijkertijd. De beelddenker kan het geheel snel overzien waardoor hij snel de oplossing ziet. Het onderwoorden brengen van die oplossing is een probleem.

Kinderen die aanleg hebben voor denk in taal, leren praten door de klanken die zij van volwassenen opvangen te imiteren en passen daarbij al lerende het ordeningsprincipe van volgorde toe. Wat het kind verteld komt in volgorde overeen met hoe de volwassenen het vertelt, op volgorde van tijd.

Wanneer dit proces goed ontwikkelt, gaat het denken in beelden steeds verder in taal over. Rond het tiende jaar is dit proces voltooid. Je kunt nu zeggen of iemand een echte beelddenker of een echte taaldenker is. De meeste mensen kunnen beide.

Bij beelddenkers komt het taaldenken niet opgang. Ze blijven in beelden denken. Waarschijnlijk zal een van de ouders of een ander familielid ook in beelden denken, beelddenken is namelijk erfelijk. Beelddenken is dus een verworvenheid en geen stoornis of een mankement.

Beelddenkers hebben een voorkeur voor het visuele, zij hebben hierdoor moeite met het ordeningsprincipe. Ze zien wat er wordt gezegd, maar kunnen slecht gericht luisteren. Het luisteren gaat door de verschillende beelden die ze zien over in “ontdekkend kijken”. Ze passen het ordeningsprincipe van gelijktijdigheid toe: een beeld heeft namelijk geen begin en geen eind. Ze zeggen dingen na, zoals ze die in zichzelf horen en luisteren niet goed naar hoe het klinkt. Ze vertellen iets wat er een beetje op lijkt. De omgeving zal dit pas opmerken bij het schrijfonderwijs (dictee, opstellen, etc).

Beelddenkers verwerken informatie niet alleen anders, ze nemen ook fysionomisch waar. Ze nemen waar door zintuigen en niet door kennis. Bijvoorbeeld bij het horen van het woord “spons” gaan beelddenkers niet uit van de gebruiksmogelijkheden, maar van de zintuiglijke kwaliteiten van sponsen, bijvoorbeeld: zacht of rond.

In onze maatschappij lossen de meeste mensen hun problemen op met een analytische manier van denken: een oorzaak-gevolg denken, waarbij de taal niet gemist kan worden.

Een beelddenker lost zijn problemen op zonder taal en structuur. Denk maar eens aan een complexe situatie, waarin je direct moet handelen. Bijvoorbeeld op een heel druk kruispunt waar je moet oversteken. Er is op dat moment geen tijd om woorddenkend-redenerend de situatie te overzien om juist te kunnen handelen. Je overziet in een flits het geheel en handelt hiernaar. Je maakt gebruik van een voortalige denkwijze.

Als een taaldenker iets wilt vertellen kan hij zich een plaatje voorstellen van een situatie. Hij vormt het beeld dat hem steun geeft om over de situatie te vertellen. Als de beelddenker iets wilt vertellen bevindt hij zich in zijn bedachte beeld. Om zijn ruimtelijke beeld te kunnen verwoorden moet hij zichzelf buiten het beeld plaatsen. Hij bekijkt het beeld en verwoordt dan wat hij ziet. Dit is de enige manier waarop een beelddenker kan communiceren.

Een taaldenker denkt, vormt beelden als geheugensteun om iets te vertellen. Hij bedenkt het plaatje bij zijn woorden.

Een beelddenker denkt in beelden als enige mogelijkheid om op de juiste woorden te komen. Hij moet de woorden bij het plaatje zoeken. Ook zal hij de informatie/nieuwe ervaringen altijd aan een andere gedachten koppelen. Zo heeft een beelddenker allemaal kapstokken waaraan hij bepaalde situaties en gebeurtenissen hangt en die informatie ook alleen naar boven kan halen via die kapstok.